In de Lonsvaerder.

In de Lonsvaerder.

In de 17e en 18e eeuw was de Berensteinseweg niet veel meer dan een zandpad langs de Gooise Vaart gebruikt als jaagpad. Er weren geen huizen langs deze weg gebouwd zoals we nu kennen. In ’s-Graveland was er, halverwege het Zuidereind en de Corverslaan het inrijhek van het landhuis Berenstein. In Hilversum stonden aan het kop van de Gooise Vaart het Dorpsveerhuis met boten loods en een klein huisje. Op de grens van Hilversum en ’s-Graveland, die toen nog tussen de ’s-Gravelandse Polder en het Trompenveld lang, stond in het Trompenveld aan de vaart, dus toen nog in Hilversum, een klein huisje. Een klein beetje van de weg af, verscholen achter vier reusachtige bomen. Dat huisje heette toen nog “Het Heidens Huijsje”. Het was eigendom van het dorp Hilversum en werd verhuurd.

In het huisje woonden in die jaren twee broers. Twee ongehuwde broers. Zij waren grof gebouwd en hadden brede schouders en dikke gespierde armen met grove handen. Van de ene broer ging zijn diep gegroefde gezicht grotendeels schuil achter een volle zwarte baard en zijn dikke bos woest haar had in jaren geen kam of kapper gezien. De andere broer was bekant een kop groter; hij had geen baard en was bijna kaal. Beide broers liepen rond in jassen gemaakt van berenhuiden of van bevervellen en hadden laarzen van leer waar het koehaar nog op zat.

De broers waren altijd in de weer op hun erf met allerlei zaken en bezigheden. Hout hakken, graan dorsen, riet snijden en opbossen, wilgentenen snijden en mandenmaken, en vele andere werkzaamheden die niet zo herkenbaar waren. Stropens op konijnen, vissen waar het niet mocht, vogels vangen waar ze net zo min toestemming voor hadden. En mensen fluisterden onderling meer, ook duistere, zaken. En als de broers niet op hun erf waren, dan liep hun hond er. Een grote, bijna net zo groot als een klein kalf, zwart-grijze hond met een dichte woeste krullende langharige vacht. Geen hond die je alleen los wilde tegenkomen, dag of nacht. Pluisje hadden de broers hem spottend genoemd.

De broers verdienden hun officieel hun geld met twee zaken. Het Huis In d’ Lonsvaerder staat tegenover de Stenen Brug. Het wegdek over de brug is strek gekromd en lastig te nemen voor koetsen en karren, zeker in de winter of als het geregend had. Zwaar beladen karren of grote koetsen konden vaak de brug niet nemen. De broers stonden dan bij hun hek toe te kijken hoe de koetsier wanhopig de paarden aanspoorden om toch over de brug te komen. Maar, helaas. De koetsier te einde raad wenkte de broers om te helpen. De broers liepen rustig, bijna nonchalant naar de koetsier en hielden hun hand op. De koetsier gaf ze met de nodige tegenzin een paar stuivers. De broers zetten vervolgens hun brede schouders tegen te kar of koets en duwde deze bijn zonder hulp van de paarden over de brug.

De andere taak was het innen van het tolgeld op de Berensteinseweg. Iedereen die over de Berensteinseweg tussen Hilversum en ’s-Graveland reisde (niet de veerman en zijn knecht) moest tol betalen aan de broers. Sommige Hilversummers dachten slim te zijn en probeerden via de Corverslaan naar de ’s-Gravelandseweg te komen om zo de tol te omzeilen. Ze vergaten echter dat Pluisje, de hond van de broers, hen van verre al had aan horen komen. Pluisje zette het op een blaffen en als Pluisje lang bleef blaffen wisten de broers weer hoe laat het was. Menig tolontduiker probeerden nog hard door te lopen, maar de broers konden ondanks hun grote postuur verschrikkelijk hard lopen. De tolontduiker werd in de kraag gegrepen en hard handig naar de tol teruggesleept. En wie te paard was kon eveneens rekenen op een harde aanpak van de broers. Zij werden eenvoudig te stoppen gedwongen door dat de bebaarde broer ze met zijn geweer beschoot. De lange rechte Coverslaan bood nauwelijks beschutting.

Een mooi verhaal. Maar helaas is er weinig van waar. Het Huis In d’Lonsvaerder bestaat echt en staat ook aan de Berensteinseweg nabij de Stenen Brug. Maar de broers hebben nooit bestaan, net zo min als het huis In d’Lonsvaerder een tolhuis is geweest.

Er bestaat geen enkele aanwijzing dat het Huis In d’Lonsvaerder een tolhuis of huis van een belastinggaarder is geweest. Een tol is er nooit geweest. Het was ook niet zinvol: in het Gooi werd in de 17e en 18e eeuw geen tol geheven en de grens met het Sticht lag ver weg. ’s-Graveland, Oud-Loosdrecht en Nieuw-Loosdrecht behoorden toen nog tot het Gewest Holland. Belastinggaarders woonden er niet. Cornelis Schouten inde de accijns op bier en brandewijn en had daarvoor een huis in de Oude Torenstraat. Jan Année inde de verponding (voorloper van de onroerend zaakbelasting); hij woonde ook in de Oude Torenstraat. Année werd opgevolgd door Jan Perk, de vader van Albertus, die eerst op de hoek van de Oude Torenstraat en de Kerkbrink / Torenlaan woonde en later op de hoek van de Kerkbrink en de ’s-Gravelandseweg naast de Grote Kerk. Het havengeld werd geïnd door de knollenmeter. In de 18e eeuw was dit Gerrit Haan. Nadat hij in 1772 ontslagen was als dorpsschoolmeester wegens ernstig plichtsverzuim, werd hij aangesteld als knollenmeter. Ook Gerrit Haan woonde in de Oude Torenstraat.

In het vroege najaar van 2008 presenteerden Bert Bos en Ineke de Ronde hun onderzoek naar het Huis “In d’ Lonsvaerder” op een lezing voor de Hilversumse Historische Kring Albertus Perk. Zij hadden wel kunnen achterhalen dat het Huis In d’Lonsvaerder rond 1850 vergroot werd tot een boerderij, maar voordien maar een klein huisje was. Het huis werd de hele 18e eeuw Heidens Huijsje genoemd. Pas in de loop van de 19e eeuw werd het huis pas In d’Lonsvaerder genoemd. Bos en De Ronde denken dat het huis met de verbouwing van rond 1850 de gevelsteen met het opschrift In d’Lonsvaerder kreeg. En daarom vanaf dan ook die naam heeft. Echter er zijn aanwijzingen dat aan het begin van de 19e eeuw veranderingen zijn op het Landgoed Gooilust, waar het huis deel vanuit maakt, het aannemelijk maken dat het toen ook al eens verbouwd is geweest en mogelijk toen de opvallende gevelstenen gekregen heeft. (Zie ook blog: Een scheldpartij in steen).

Bos en De Ronde konden vanaf het midden van de 19e eeuw de bewoners achterhalen. Echter van de bewoners in de 17e en 18e eeuw zijn geen sporen teruggevonden. Het was voor hen een raadsel waarom dan een dergelijk klein huisje gebouwd was zover afgelegen aan de vaart. Zonder enige historische aanwijzing namen zij aan dat het mogelijk een tolhuis geweest kon zijn. Echter in het archief in Hilversum zijn wel aanwijzigen gevonden waarom daar door het dorpsbestuur van Hilversum een huisje bebouwd werd en wat de mogelijke functie geweest was.

Door de stichting van de ’s-Gravelandse Polder werden de verhoudingen in de gebruiksrechten tussen de stad Naarden, de dorpen in ’t Gooi en de Staten van Holland verstoord. Vanaf 1634 werden verschillende regelingen getroffen, maar pas in 1664 kwam een definitieve tot stand. Voor de geschiedenis van In d’Lonsvaerder is een onderdeel van deze regeling van belang. Hilversum werd gecompenseerd doordat een smalle strook heideveld achter ’s-Graveland tussen de ’s-Gravelandseweg en de Berensteinseweg aan Hilversum overgedragen werd om te ontginnen. Hilversum deed dit niet zelf, maar verkocht de strook heideveld in 1669 aan Cornelis Tromp. Op 25 januari 1669 kwamen Willem Tijmensz Vlaanderen en Lambert Willem Klaasz, als buurmeesters van Hilversum, en Cornelis Tromp de voorwaarden voor de verkoop overeen.

Cornelis Tromp zou aan Hilversum f. 7000,= betalen en een schenking doen aan de kerk van Hilversum ‘zoo groot als het hem belieft’. Langs de grens van het land zal een scheidijk of wal aan gelegd worden. Hilversum zou voor de aanleg en de kosten daarvan zorg dragen, terwijl Tromp daarna het onderhoud voor zijn rekening zal nemen. Tevens zal Tromp vier vaten goed bier aan de inwoners van het dorp Hilversum leveren. Als laatste werd bepaald dat aan de zuidzijde van de strook heideveld over de volle breedte een stuk van het heideveld vrij zou blijven liggen om te dienen als opslagterrein.

Op 12 juni 1669 werd Cornelis Tromp door koop eigenaar van deze strook heideveld dat sedert dien naar hem vernoemd werd: Trompenveld. De enige wijziging die nog in het koopcontract werd opgenomen was dat een klein stukje veld van 130 roeden niet mee verkocht werd. Op dit stukje veld was al een huis gebouwd door Jan Cornelisz Groot. Dit stukje veld lag aan de noordzijde tegen de Cortenhoefseweg (thans ’s-Gravelandseweg geheten). Een jaar later werd dit laatste stukje veld voor 32 gulden verkocht aan Jan Cornelisz Groot. Het huis was ingericht als herberg en heette achtereen volgens Grootjan, Het Derde Heidens Huis, De Laatste Stuijver, De Plaats Rojaal en Roomen. In 1792 werd het afgebroken en op dezelfde plaats werd het buitenhuis Jagtlust gebouwd dat in 1795 gereed voor bewoning was.

Aan de zuidzijde van het Trompenveld lag dus een strook grond dat vrijgehouden moest worden als opslagterrein. Dit was ook wel nodig. Er moest een grote hoeveelheid zand opgeslagen kunnen worden als begonnen werd met het ontginnen van het Trompenveld. Ondanks dat het veer regelmatig naar het oosten opschoof naar mate het graven van de Gooise Vaart in de richting van het dorp opschoot, bleef de oude kade direct achter ’s-Graveland nog steeds in gebruik. Regelmatig waren er klachten over schade aan de walkant door het laden en lossen van goederen en over goederen die op de weg opgeslagen stonden.

Het is niet onlogisch te veronderstellen dat op de hoek van het opslagterrein een huisje gebouwd werd voor de zandbaas die belast werd met het toezicht op het afgraven en ontginnen van het Trompenveld en de aanleg van de nieuwe scheiwal rond het Trompenveld. Tevens zal deze zandbaas dan ook belast kunnen zijn met het toezicht en onderhoud van de loswal en weg langs de Gooise Vaart vlak bij de Stenen Brug.

Het huisje werd gebouwd in opdracht van het dorpsbestuur van Hilversum die tevens eigenaar bleef. Pas in 1774 werd het huisje door het dorpsbestuur verkocht.

Harry van der Voort, 20090726

26 July 2009
By on 21:42
Synopsis voor Nederland Moderniseert

Deze blog is geen gewone blog maar maakt deeluit van een studie opdracht van de cursus Nederland Moderniseert.

Veranderingen in het omroepbestel, komst van reclame op radio en tv, beïnvloeding van de jeugdcultuur kwam van zee: zenders voor de Nederlandse kust.

Het onderwerp is terug te vinden in hoofdzaak binnen één paragraaf: Intermezzo: televisie als ontzuiler?

De paragraaf is onderdeel van hoofdstuk 14, Secularisering en ontzuiling. Dit hoofdstuk is een reeks van korte, onderling nauwelijks verwante onderwerpen waarmee de auteurs een verklaring voor de ontzuiling als modernisering van de Nederlandse samenleving proberen te verklaren.

Vanuit politiek perspectief gezien was de grote populariteit van de op commerciële leest geschoeide radiozenders een doorn in het oog. De politiek was in sterke mate verdeeld over het toelaten van reclame op radio en tv; zo sterk zelfs dat een kabinet er over viel.

Vanuit economisch perspectief gezien waren in elk geval de twee Nederlandse zeezenders commercieel gezien succesvolle ondernemingen in een nog nauwelijks ontgonnen bedrijfstak. Echter de grootste economische betekenis is de discussie over het al dan niet toelaten van reclame op radio en tv van de publieke omroepen geweest. In het publieke bestel werd in de 2e helft van de jaren zestig reclame ingevoerd. Zij werd verzorgd door een speciaal hiertoe opgerichte zendgemachtigde: de STER.

Vanuit een sociaal-cultureel perspectief zijn de zeezenders van grote invloed geweest op de jeugdcultuur. De zeezenders waren niet meer verbonden aan een zuil en konden daarmee een groot deel van de op drift geraakte jeugd bereiken. De zeezenders maakten in hun begin jaren veranderingen door waarbij meer en meer de nadruk kwam te liggen op het uitzenden van de muziek die populair was onder jongeren. De dj’s kregen de ruimte om meer te zijn dan presentatoren, bouwden hun programma’s uit tot shows rond de muziek en kwamen de studio’s uit om met drive-in shows het land in te trekken.

In een poging om de jongeren voor zich terug te winnen werden door de publieke omroepen een nieuwe radiozender, Hilversum 3, opgericht. Deze zender werd, om te kunnen concurreren met de zeezenders, ingericht naar model van deze zeezenders: horizontale programmering, geen ruimte voor verdiepingsprogramma’s en nieuwsrubrieken, grote herkenbaarheid van de individuele dj. De aarzeling van de publieke omroepen om tot de oprichting van Hilversum 3 te komen, met name bij de KRO, lag juist in deze aspecten. De herkenbaarheid van Hilversum 3 als popzender betekende dat de herkenbaarheid van de afzonderlijke zuil ver op de achtergrond gedrukt werd.

Het deelonderwerp staat enerzijds aan de rand van een moderniserende maatschappij. Zij bied als het ware onderdak aan een groeiende groep jongeren die zich niet meer thuis voelen bij de bestaande zuilen en bied hen hun eigen beleefwereld met hun muziek en de dj’s als hun nieuwe helden.

Anderzijds is het deelonderwerp een katalysator van modernisering. Konden de bestaande publieke omroepen in het begin jaren vijftig het nieuwe medium tv inlijven zonder nieuwe speler toe te laten en kon de politiek haar invloed op de omroep vergroten. Zij had al invloed wie mocht uitzenden, maar ging steeds meer en meer bepalen wat er uitgezonden kon worden. Deze legitimiteit werd in de jaren zestig niet meer aanvaard en werd het omroepbestel opgebroken door de komst van nieuwe zendgemachtigden (STER, TROS, EO, VOO) maar ook door toelaten van reclame op radio en tv en de oprichting van een popzender (Hilversum 3) als eerste in een reeks radiozenders (Hilversum 4 en 5) waarin niet meer de zuil als eerste herkenbaar was maar de kleur van de zender (resp. popmuziek, klassieke muziek, religie en maatschappelijke verdieping).

Op korte termijn waren de zeezenders de luis in de pels van de politiek en de zuilen die worstelden met ontzuiling, losse binding van de achterban en toenemende vercommercialisering van de samenleving. Later zou een van deze zeezenders een sterke invloed uitoefenen op de komst van commerciële radio- en tv-zenders en de open publiek bestel zoals we deze thans kennen.

Ondanks de kritiek op de tv als het medium dat slechts loos amusement bracht, blijkt juist de radio in sterke mate zou gaan bijdragen aan het sociaal-maatschappelijk proces van de ontzuiling en individualisering van de Nederlandse samenleving.

Centrale probleemstelling: Wat waren de achtergronden bij de Nederlandse overheid om er bijna tien jaar over te doen om het Verdrag van Straatburg te ratificeren, terwijl de Britse regering dit vrijwel direct deed en binnen een jaar de zeezenders het zwijgen oplegde.

Onderzoeksvragen:

- Waren de zeezenders een typisch Nederlands verschijnsel?

- Wat waren de maatschappelijke achtergronden dat de Nederlandse zeezenders zo succesvol konden zijn? En was dat succes reden voor de overheid om de op Nederland gerichte zeezenders met rust te laten?

- Welke tegenreacties ontstonden bij de publieke omroepen om hun luisterpubliek te behouden of opnieuw voor de zuilen waartoe de afzonderlijke omroepen behoorden te winnen?

- Welke rol speelde de KVP politicus H.W. van Doorn (later PPR minister van CRM) in het debat rond de reclame op radio en tv?

- Waardoor was Radio Veronica in 1973 om haar bestaan te redden in staat een van de grootste naoorlogse protestdemonstraties gericht tegen de overheid op de been brengen?

Conclussies:

- De oprichting van de Nederlandse zeezender Veronica was afgekeken van in 1958 voor de Deense en Zweedse kust opgerichte zeezenders. In het midden van de jaren zestig ontstonden ook voor de kunst van België maar vooral voor de kust van Engeland zeezenders. In al deze landen was de achtergrond waartegen de zeezenders ontstonden dezelfde: de naoorlogse jeugd voelde zich niet aangetrokken tot de bestaande radio (en later ook tv-) zenders omdat deze nauwelijks op hen gerichte programma’s uitzonden die aansloten op de belevingswereld van deze jeugd. De BBC zond bv slechts 20minuten rockmuziek per week uit. De zeezenders richtten zich, zeker van het midden van de jaren zestig, met pop- en rockmuziek op een voor de jeugd aansprekende wijze van presenteren op deze jongeren.

- De publieke omroepen waren onderling sterk verdeeld over de manier om hun achterban te behouden. Daarbij kwam ook nog dat de KRO in de 2e helft van de jaren zestig in een diepe identiteitscrisis belandde; de VRPO maakte na de dood van dominee Spelberg een ingrijpende verandering door door het aantrekken van jonge eigenzinnige programmamakers, onder wie Wim T. Schippers (zie 1950, p. 491-492). De poging om met Hilversum 3 de jongeren opnieuw aan de zuilen te binden had een averechts effect door de wijze van programmeren.

- De politiek was sterk verdeeld over het al dan niet toelaten van reclame op radio en tv. De VVD voelde er wel voor, maar de KVP was tegen. H.W. van Doorn was er een fel tegenstander van. Hij is het ook, als hij voor de PPR minister van CRM is, het Verdrag van Straatburg door het parlement loodst. Op 31 augustus 1974 legt hij Radio Veronica en Radio Nordsea International het zwijgen op. De STER verzorgt op dat moment binnen het bestel voor de reclameuitzendingen.

- De modernisering van de Nederlandse samenleving had een ontzuiling te werkgesteld. Grote groepen jongeren waren op zoek gegaan naar nieuwe bindende elementen en hadden deze o.a. gevonden in de zeezenders. Toen op 18 april 1973 de Tweede kamer zich boog over het Verdrag van Staatsburg, voelden velen het alsof de overheid iets uit hun leven zou afnemen.

Harry van der Voort 20090629

29 June 2009
By on 23:42
Ik weet waar Willem Wever woont.

Ik weet waar Willem Wever woont.

Een bekent stafrijm betreft ene Willem Wever.

“Wie weet waar Willem Wever woont?

Willem Wever woont wijd weg.

Wie weet wat Willem Wever weeft?

Willem Wever weeft witte wollen wanten.”

Het tv-programma Willem Wever ontleende zijn naam aan dit rijm.

Op 21 april 1940 noteerde de Hilversumse boekhandelaar en historicus C.L. Heek in zijn notitieboek een variant (of de oorspronkelijke versie misschien wel?) van dit stafrijm:

“Wie weet waar Willem Wit woont?

Willem Wit woont wijd weg.

Wie weet wat Willem Wit weeft?

Willem Wit weeft witte wol.”

De reden dat Heek dit rijm in zijn notitieboek opschrijft is de vondst van een contract uit 1692, waarin ene Willem Pieterszoon de Wit uit Hilversum wel een heel lucratief contract sluit met het dorpsbestuur van Huizen. Het contract luidt als volgt:

Den Buyrmeester, schepenen en die van den gereghte des dorps Huijsen te kennen gegeven sijnde, dat Willem Pieterszoon de Wit, woonaghtigh tot Hilversum wel genegentheijt hadde van daer met vrouw en kinderen metterwoon gerwaerts te comen en aldaer met twee wolleweversgetouwen te comen werck indien men hem eenigh voorreght boven andere ingesetenen van desen dorpe wilde vergunnen en dat in dat cas apparent wel meer andere wollewevers van buijtene hem stonden te volgen ’t gunt die van gereghte wel gaerne souden sien, verklaren bij desen tot aenmoedinge van andere metten voorschreven Willem Pieterszoon de Wit aengegaen te hebben  het volgende contract, namentlijk datten voornoemde Willem Pieterszoon de Wit gehouden sal sijn soo ras mogelijk metterwoon alhier over te comen medebrengende vrouw en kinderen mitsgaders twee wolleweversgetouwen Mette welkcke hij geduijrende den tijt van vier jaren soo hem Godt int leven belieft te sparen alhier moeten wercken wel met meerdere doch niet met mindere getouwen waer tegen buyrmeesters ende die van den voorschreven gereghte gehouden sullen wesen den voornoemde Willem Pieterszoon de Wit van Hilversum met alle desselfs huijsraet en inboedel herwaerts coosteloos mette wagen te laten affhalen, den selven geduijrende de voorschreven tijdt van vier jaren te doen genieten en profiteren vrijdom van alderleij soort van dorpslasten en imposten die ’t voorschreven dorp van een ander paghten overgenomen sullen hebben, voorschreven den selven te besorgen een mande harck en bequame plaats om sijn wol te wasschen. Item geduijrende den voorschreven tijt van vier jaren aen den selven tot een vereringe te geven jaerlijx een somme van vijff en twintig gulden en bij aldien denselven Willem Pieterszoon de Wit na verloop van voorschreven vier jaren die aenvanck sullen nemen metten 1 mey des jaers 1692 genegen moghte sijn nogh twee andere jaren invoegen voorschreven te wonen, sal ’t selve hem vrij staen en als dan med de voorschreven vrijdom uijtgesondert de 25 gulden ’s jaers genieten en in cas gemelde Willem Pieterszoon, na den voorschreven tijt van vier off zes jaeren metten woon wederom na Hilversum off elders hier in Goijlant wilde vertrecken sullen buijrmeesters en gereghte voorschreven hem coosteloos mette wagen als voren daer laten transporteren en voeren sonder daer toe te betaelen gelijk mede den selven coosteloos en schadeloos gehouden sal moeten werden bij aldien sigh iemant hier tegen moghte comen te opposeeren ofte de voorschreven verhuijsinge beletten. Eijndelijk sullen den buijrmeester en gereghte voorschreven gehouden blijven mette wagen te laten halen de turff die hij geduijrende alle de voorschreven tijdt van noden moghte hebben.

Aldus gedaen en gepasseert tot Huijsen en bij contractanten wedersijts ondertekent den 31 julij 1692.

(w.g.) Cornelis Jacobszoon Killewigh, buijrmeester; Jan Pieterszoon Boor; Wijgert Willemszoon; Merck gesteldt bij Gijsbert Jacobszoon; Lambert Jacobszoon Killewigh; Merck gesteldt bij Willem Pieterszoon de Wit.

In kennisse van mij, (w.g.) Thierens, secretaris.

Hoelang Willem Pieterszoon de Wit met zijn gezin en zijn weefgetouwen in Huizen (N.H.) bleef weet ik niet. Dat is voor iemand anders om uit te zoeken.

Harry van der Voort, 20090606.

14 June 2009
By on 14:27
Een scheldpartij vereeuwigd in steen.

Het huis In d’Lonsvaerder.

Wie over de Beresteinseweg van Hilversum naar ’s-Graveland gaat, komt ter hoogte van de Stenen Burg langs een oude boerderij met in de voorgevel drie gevelstenen. Aan de meest linkse gevelsteen ontleend het huis haar huidige naam: “In d’Lonsvaerder”.

Tot 1967 heeft het huis in Hilversum gestaan. Maar na een wijziging van de gemeentegrens tussen Hilversum en ’s-Graveland in dat jaar staat het nu in ‘s –Graveland (gemeente Wijdemeren).

Deze gevelstenen hebben al lange tijd de aandacht getrokken van de mensen. Allerlei verhalen doen de ronde over de betekenis van deze gevelstenen. De meest geaccepteerde verhalen over de gevelstenen betreffen slechts de linker steen waarop een schip te zien is met eronder het onschrift “In ‘dLonsvaerder” en de middelste met het jaartal 1673. Over de rechter gevelsteen zijn geen (of misschien toch wel eentje) verhalen bekend.

De Linker gevelsteen zou betrekking hebben op een zwager van Cornelis Tromp, de grote zeeheld die op Trompenburg woonde. Deze zwager zou koopman op Londen zijn geweest. Tromp zou deze gevelsteen hebben laten maken omdat deze zwager in de boerderij gewoond zou hebben.

De middelste gevelsteen met het jaartal 1673 zou betrekking hebben op het rampjaar 1672-1673 waarin de onder andere de Fransen de Republiek waren binnengevallen en tot ver in Nederland waren opgerukt. In 1673 vielen de Fransen vanuit de door hen bezette stad Utrecht Amsterdam aan en bij de doortocht door ’s-Graveland werden de buitenhuizen daar geplunderd en verwoest. De stad Amsterdam werd nooit bereikt. De aanval verafgeslagen en kort daarna verzamelden de Nederlanders zo veel moet onder leiding van prins Willem III als kersverse stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht dat de Fransen teruggedreven werden naar het zuiden de grens met de Zuidelijke Nederlanden over. Het jaartal 1673 zou dus zowel kunnen slaan op de verwoesting als de herbouw.

Het bezwaren tegen deze uitleg van de betekenis van de gevelstenen rusten op verschillende gronden.

Zo had Cornelis Tromp helemaal geen zwager die koopman op Londen was. Ook heeft er nooit familie van hem gewoond in het huis In d Lonsvaerder. Sterker nog, het huis was in het bezit van het dorpsbestuur van Hilversum en werd het Heidenshuisje genoemd. Pas helemaal in het begin van de 19e eeuw werd Gerrit Corver Hooft eigenaar. Gerrit Corver Hooft was toen de eigenaar van Gooilust en hij was het die de boerderij toevoegde aan het landgoed en sedert dien werd de boerderij In d Lonsvaerder genoemd.

Het jaartal 1673 staat wel is waar op de steen, en wel is waar wordt Trompenburg en de twee andere buitenplaatsen die Cornelis Tromp in ’s-Graveland bezat verwoest door de Fransen. Dit is nog geen reden dat hij dan deze gedenksteen aanbrengt. Het huis was op dat moment eigendom van het dorpsbestuur van Hilversum en lag ook in Hilversum. Er is geen overlevering bekend dat de Fransen in Hilversum ook geplunderd en gebrandschat hebben. En dan nog zou het dorpsbestuur eerder in het dorp een gedenksteen hebben laten plaatsen dan in een huis of boerderij zo ver buiten het dorp. Voor de derde gevelsteen is helemaal geen verkaring.

Er is geen verklaring voor de combinatie van de drie gevelstenen. De linker en de rechter zijn bijna even groot en in dezelfde stijl gemaakt. Ook werkt de manier waarop de gevelstenen in de gevel zijn gemetseld de indruk dat ze daar later zijn aangebracht. In de verdeling van de bakstenen rond om de gevelstenen is gesmokkeld en hier en daar zijn rare stukjes metselwerk gemaakt om alles passend te krijgen. Als je in een bestaande gevel nieuwe gevelstenen laat plaatsen dan laat je de beeldhouwer gevelstenen maken die precies passen bij het mestelwerk. Als je een nieuwe gevel laten op metselen dan geef je op z’n minst de metselaar de opdracht op de gevelstenen netjes in te metselen, desnoods met een rand siermetselwerk erom heen. Nu zijn de gevelstenen er een beetje in gerommeld.

Wat is de betekenis dan van de gevelstenen? Horen ze wel bij elkaar? Hoe is de relatie met Cornelis Tromp dan wel, als die relatie er wel is? En als de gevelstenen niet bij dit huis horen, waar komen ze dan vandaan?

Laten we eerst de gevelstenen stuk voor stuk bekijken. We kijken zowel naar de afbeelding, als naar een mogelijke relatie met Cornelis Tromp. Dat hij er mee te maken heeft, staat wel vast. In alle verhalen over zowel het Huis In d Lonsvaerder als over de gevelstenen komt hij voor.

De eerste gevelsteen vertoond een koopvaarder met volle zeilen varend. We kijken tegen de achtersteven aan en zien een grote vlag wapperen op campagnedek. Het vlag is in de kleuren van de nationale driekleur geschilderd. Deze vlag is in de 16e eeuw in gebruik gekomen als vlag van de opstandige provinciën en is thans onze nationale vlag.

Het is ook de enige steen met een opschrift. Op de onderrand staat de tekst: In ‘d Lonsvaerder

De zwager van Cornelis Tromp waar telkens naar verwezen wordt is de Rotterdamse regent Johan Kieviet. Deze reisde wel is waar naar Londen, maar om geheel andere redenen. Zowel hij als Cornelis Tromp waren Oranjegezind en streefde naar herstel van de Oranjes als stadhouders. Officieel was Kieviet naar Londen gereisd als lid van een delegatie die onderhandelden over een voorgenomen huwelijk tussen Willem III en Mary Stuart, dochter van de Engelse koning. Kieviet had echter ook een tweede, geheime opdracht meegekregen van de Oranjegezinde leden in de Staten van Holland en Staten Generaal. Hij moet bij de Engelse koning polsen hoe deze erover dacht als Willem III door middel van een staatgreep alsnog aangesteld werd als stadhouder. De compliceerde factor hierbij was dat de Republiek met de regelmaat van de klok in op zee oorlog was met de Engelsen. In de Republiek wilde men er zeker van zijn dat een staatsgreep niet tot een ingrijpen van de Engelsen zou leiden. De geheime missie lekte uit in Kieviet moet hals over kop wegvluchten. Hij heeft in Londen aan het hof van de Engelse koning asiel verkregen. In 1672 was Kieviet al weer terug in Rotterdam, waar hij door de veranderde situatie weer opgenomen was in het stadsbestuur. Hij valt dus af: Geen koopman, überhaupt geen zeevaarder en was in 1672 al gerehabiliteerd.

Wie dan wel. Zijn hele leven probeerde Cornelis Tromp de militaire positie die zijn vader Maarten Harpertsz Tromp had in handen te krijgen: Luitenant-admiraal van de admiraliteit van Holland en daarmee het daadwerkelijke opperbevelhebberschap over de zeestrijdkrachten van de Republiek. Zijn grote tegenstrever hierin was Michiel Adriaansz de Ruijter die deze positie in handen kreeg na de dood van vader Tromp en pas bij diens dood in 1676 weer afstond. Zoon lief had dus het nakijken. Cornelis Tromp was een zeer kundig strateeg en een zeer bekwaam zeeman, eigenschappen die hij deelde met De Ruijter. Maar De Ruijter had een goed gevoel voor politieke verhoudingen. Tromp daarentegen had een zeer kort lontje, kon zeer vasthoudend zijn en op een geweldige manier zijn zin doordrammen. Deze laatste twee eigenschappen maakte van hem een geduchte tegenstander op zee in oorlog. Maar als onderschikte van Admiraal de Ruijter wist Tromp regelmatig de gezagverhoudingen tussen hem en zijn superieuren, Admiraal de Ruijter als vlootvoogd en de Leden van de Admiraliteit als zijn broodheren, ten nadele van hemzelf uit het oog te verliezen. Mede daardoor moest Tromp tot 1678 wachtten voordat hij de positie van zijn vader kon gaan bekleedden die in

1653 in

de Slag bij Kijkduin voor de kust bij Ter Heijde om het leven kwam. Daarbij kwam ook nog dat Admiraal de Ruijter uitgesproken Staatsgezind was en Cornelis Tromp zijn Orange gezinde gevoelens niet onder stoelen of banken stak. Van Tromp is uit dit tijd een schilderij bekend waarop Cornelis Tromp zich als Romeins veldheer liet uitbeelden omhuld met een knaloranje mantel.

Admiraal de Ruijter had een groot deel van zijn populariteit als vlootvoogd te danken aan de aanval op de Engelse marinebasis bij Londen: De Tocht naar Chatham. Bij deze aanval werd het grootste deel van de Engelse vloot uitgeschakeld en enkele Engelse oorlogsbodems, waaronder het vlaggenschip Royal Charles als buit naar de Republiek gesleept werden.

Een betere kandidaat Lonsvaerder hebben we gevonden in Admiraal de Ruijter. Waarom niet een oorlogsbodem afgebeeld staat komen we zo op terug.

De gevelsteen met het jaartal moet dan ook in persoonlijk verband gebracht worden met Cornelis Tromp wil het bovenstaande houtsnijden.

In 1673 gebeuren er twee zaken in het leven van Cornelis Tromp die hem het meest aan het hart lagen. In het vroege voorjaar van 1673 werd Willem III aangesteld als kapitein-generaal en in juli 1673 gevolgd door de benoeming tot stadhouder van Holland en Zeeland en een paar dagen daarna door de benoeming tot stadhouder van Utrecht. Een van de grootste politieke wensen van Tromp ging hiermee in vervulling. 1673 werd ook het persoonlijk rampjaar voor Tromp. Door zijn persoonlijk vermogen, maar zeker na het huwelijk met de rijke Margaretha van Raephorst, weduwe van Joan van Hellemont, werd hij een van de rijkste mannen in de Republiek in de 17e eeuwe  (In de Qoute 500 stond hij op de 100ste plaats, 16 plaatsen boven Admiraal de Ruijter). Hij had een vermogen van bijna 4 ton, waaronder ten minste 3 landhuizen, twee te ’s-Graveland (Hoge Dreuvik = het latere Trompenburg en het naast gelegen Schoonoord) en een te Rijswijk. In 1669 was Cornelis Tromp na een knallende ruzie met Admiraal de Ruijter als ondercommandant ontslagen en had zich op het latere Trompenburg gevestigd. Hij had, pronkzuchtig als hij was, het landgoed zeer verfraaid. Zo zeer zelfs dat het zijn tijdgenoten tot de verbeelding spraak. De grenzeloze pronkzucht van Tromp blijkt ook uit grote aantal schilderijen dat hij van zichzelf had laten maken. Maar liefst 22 schilderijen zijn van hem bekend, gemaakt tijdens zijn leven. Niemand overtrof hem daarmee in de 17e eeuw, zelfs niet de Oranjes. In 1673 vielen de Fransen ’s-Graveland binnen en bezette alle buitenhuizen. De eigenaren konden de verwoesting van hun eigendommen afkopen door een brandschatting van f. 1500,- per huis te betalen. Nadat de eerste eigenaren op deze chantage in waren gegaan, verbood de Staten Generaal elke betaling aan de Fransen. Tromp was er nog niet in geslaagd om met de Fransen tot een overeenkomst te komen toen dit verbod kwam. Tromp stond in tweestrijd: gehoorzamen aan het verbod, niet betalen en door de Fransen zijn buitenplaatsen laten verwoesten of toch betalen, zijn buitenplaatsen laten behouden maar door zijn ongehoorzaamheid de kans op een toekomstige aanstelling als vlootvoogd op het spel zetten. De Fransen verwoesten alle bezitting van Tromp in ’s-Graveland en verruïneerden zijn magnifieke tuinen. Alle bomen werden gekapt en afgevoerd als brandhout.

De afbeelding op de derde gevelsteen toont een mannetje te midden van wasgoed dat kennelijk aan een lijn hangt of naast elkaar op de grond ligt. Het mannetje staat voor een object dat aangemerkt kan worden als een wasbak. Deze afbeelding is vaak gezien als een blekerij, een wasserij waarbij de was uitgespreid in de zon te drogen werd gelegd om deze te laten bleken. ’s-Graveland heeft tot ver in de 20e eeuw een groot aantal blekerijen en wasserijen van kleding en huishoudtextiel gekend. Meestal werd voor de vermogende Amsterdammers, Weesper, Naarders en Muidenaren gewerkt.

Wat hierbij niet verklaard wordt is de overmatig grote sok die het mannetje naast  het mannetjes hangt. De sok is bijna net zo lang als het mannetje. Duidelijk is dat niet het mannetje en niet het hangende of liggende wasgoed de hoofdrol spelen in de afbeelding maar de overmatige grote sok dit moet doen. Waarom zou je anders zo’n grote sok afbeelden.

De betekenis van deze sok moet dus gezocht worden in verhouding met Cornelis Tromp, Admiraal de Ruijter en 1673. Het enige wat deze twee heren verbind is de marine. En juist in de marine wordt de, weinig vleiende, betekenis van deze sok ook gevonden.

Sokkenwasser is in de scheepvaartwereld een woord dat onder het zeevarend volk, met name de matrozen, gebruikt wordt. Het betekent zoveel als onbenul, prutser, knoeier, of meer nettere bewoordingen een overmoedig maar onbekwaam persoon. Weinig vleiend voor een persoon die opperbevelhebber is van de zeestrijdkrachten. Het woord sok heeft onder het landsvolk ook weinig vleiende bijbetekenissen. Denk maar aan uitdrukkingen als oude sok (ouwe sok), zijden sok, zich van zijn sokken laten lopen. Zelfs als er een dier aan te pas komt dat over algemeen geassocieerd wordt met kracht, de beer, krijgt het een vergelijkbare negatieve betekenis in combinatie met sok. Met een beer op sokken wordt een lomperik bedoeld.

Het raadsel op gelost.

De drie gevelstenen is de voorgevel van het Huis In d’Lonsvaerder vormen bij elkaar een raadsel of rebus. De tekst die er staat luid als volgt: Michiel de Ruijter, gedenk 1673, sokkenwasser, prutser. Cornelis Tromp hield Michiel de Ruijter medeverantwoordelijk voor het rampspoed die 1672-1673 bracht toen Frankrijk, Engeland en twee Duitse bisschoppen de Repbliek binnenvielen, en dus daarmee voor zijn persoonlijk verlies, de verwoesting van zijn bezittingen in ’s-Graveland. Tevens is het een verwijzing naar het einde van het Eerste Stadhouderloze Tijdperk.

Het wordt dan nu ook duidelijk waarom in plaats van een robuust oorlogsschip een koopvaarder afgebeeld is op de linkergevelsteen. Het is een trap na aan het adres van De Ruijter. Koopvaardijkapiteintje. Cornelis Tromp was zelf afkomstig uit een regentengeslacht en zijn familie was al generaties actief in de marine als (opper)bevelhebber. Michiel Adriaansz de Ruijter was afkomstig uit het gewone volk en had zich uit eigen kracht omhoog gewerkt.

Waar hebben deze gevelstenen in gemetseld gezeten?

Dat is niet geheel duidelijk door de veranderingen in de landgoederen in de loop der eeuwen. Het meest waarschijnlijk hebben deze gevelstenen in gemetseld gezeten in bijgebouwen die gestaan hebben op het zuidelijk deel van het landgoed Trompenburg. Deze gebouwen hebben gestaan aan het grote brede plein voor de hoofdingang van het huis Trompenburg. De hoofdingang van Trompenburg is afgewend van de weg, het Zuidereinde. Om bij deze ingang te komen moet met aan de noordzijde om het huis heen rijden en kwam men uit op een toegangsplein dat over de volle brede van het kavel waarop het landgoed ligt, was aangelegd.

Aan het einde van de 18e eeuw wordt de zuidelijke helft van Trompenburg aan Gerrit Corver Hooft verkocht die dan al de twee landgoederen ten zuiden van Trompenburg bezat. Aan het einde van de 18e eeuw laat Gerrit Corver Hooft een nieuw landgoed aanleggen op de plaats van de zuidelijke helft van Trompenburg en de twee aangrenzende landgoederen: Gooilust. Korte tijd later weert Gerrit Corver Hooft ook het meeste van de resterende grond tussen zijn nieuwe landgoed Gooilust en de Gooise Vaart te verwerven, waaronder Berenstein met de boerderij Heidenshuis. Omdat bekend is dat Gerrit Corver Hooft bij de aanleg van zijn nieuwe landgoed ook alle gebouwen heeft vervangen door nieuwe, is het het meest aannemelijke dat hij de gevelstenen uit een afgebroken bijgebouw dat niet meer in zijn plannen paste, heeft laten in metselen in het Heidenshuisje. Het is hiermee ook verklaard waarom vanaf 1840 het Heidenshuisje alleen nog maar met de naam In d Lonsvaerder wordt aangeduid.

Een scheldpartij in steen.

Wie bij Tromp op bezoek kwam, reed zijn voorplein op en keer uit op een gebouw met de drie fraaie gevelstenen, met een niet zo’n fraaie boodschap. Niet zo fraai in onze ogen al thans.

Men werd op deze wijze telkens eraan herinnerd hoe Tromp over De Ruijter dacht.

Het zijn flinke woorden aan het adres van De Ruijter. Kan dit zomaar? Kon je in die tijd zo’n beschuldiging aan het adres van iemand ongestraft op de gevel van je huis aanbrengen? Het lijkt er wel op. Wie pamfletten uit de 17e en 18e eeuw leest die uitgegevens zijn door voor en tegenstanders van controversiële onderwerpen, ziet dat het er flink aan toe kan gaan. Kijk ook maar naar werk van schrijvers die wij thans tot de Nederlandse literatuur rekenen, bijvoorbeeld het werk van een schrijver als Lodewijk van Deijssel (pseudoniem van Karel Joan Lodewijk Alberdingk Thijm). Maar open en bloot in steen?  

In Hilversum vind je nog steeds een vergelijkbare set met gevelstenen die een protest zijn tegen een politieke gebeurtenis. In 1715 loopt in Hilversum benoemingen van dorpsbestuurders volkomen uit de hand, als er mensen op posten benoemd worden zonder dat men zich aan de regels hield. Nadat de rechter er aan te pas kwam om te bevestigen dat iedereen zich aan de regels moest houden, keerde de rust weer. Jan Jansz Perk de Oude liet in een nieuwgebouwd huisje aan de Laanstraat twee gevelstenen in metselen: De een met een jaartal: 1715; de ander met de tekst : Pas Op.

[Dorpsbestuurders van Hilversum] gedenkt 1715, Pas Op (niet weer).

Ook liet Jan Jansz Perk een klein huisje bouwen op de zanderijen dat de intrigerende naam ’t Isso, kreeg..Dit is een verwijzing naar de rechten van de familie Perk om het uitgraven van de Gooise Vaart en de bijbehorende afzandingen erlangs voort te mogen zetten ondanks het algehele verbond op afzandingen in het Gooi. Dit verbod was in gesteld om de afzandingen rondom Naarden bij het aanleggen van de vestingwerken lonend te maken. Het recht op het voort mogen zetten van de afgravingen ten behoeve van de Gooise Vaart werd bevestigd in stukken uitgevaardigd in 1705, 1712, 1727 en 1731.

Het is zó. Het hoort zó (en niet anders). Ook dit was een protest in steen op een gevel.

Harry van der Voort, Hilversum 20081124.

25 November 2008
By on 00:06
Sint Maartensdag.

Sint Maartensdag.

Gisteren – 11 november – was het Sint Maarten.

Kinderen gaan verkleed en met lampionnen langs de deur en hopen, door het zingen van liedjes of opzeggen van gedichten, een traktatie (snoepgoed dus) te krijgen. Curieus gebruik, overgebleven uit ons rijk verleden.

Maar wie was nu die Sint Maarten, een soort voor-Sint Nicolaas? Eigenlijk niet. Waard om te behouden? Zeker wel. Een nationale feestdag van maken? Misschien wel. En waarom lijkt het zo op het Engels-Amerikaanse Halloween?

Sint Maarten(sdag) is de gedenkdag op de Katholieke Heiligenkalender van de Heilige Maarten van Tours. St. Maarten is de patroonheilige van de Dom van Utrecht en daarmee van Katholiek Nederland in de Middeleeuwen. De Sticht als land was toen niet veel groter dan de huidige provincie Utrecht, maar het bisdom besloeg bijna heel Nederland ten noorden van de Maas. Slechts een paar kleine delen in het oosten van Nederland, o.a. het oostelijk deel van Groningen, viel onder het bisdom Munster.

St. Willibrordus (met denkdag op 7 november) is toch de patroonheilige van Nederland? Ja, dat is zo, maar voor Nederland na

1853. St

. Willibrordus was gekozen als patroonheilige van Nederland omdat hij niet al aan een van de bisdommen verbonden was als aptroonheilige en omdat hij als prediker het christendom naar de Nederlanden had gebracht. Maar St. Willibrord heeft nooit die plaats weten te veroveren die St. Maarten had. Hiervoor was St. Maarten te diep geworteld in het Nederlands volksleven.

Hebben wij daarom dan geen Halloween feest? Dit ligt wat gecompliceerder.

Aan het begin van de kerstening van Europa was het aan de Kerk veel gelegen om de oude gebruiken en riten uit te bannen. Gaande weg kwam men er achter dat dit heel lastig was, en dat het beter was deze gebruiken te integreren in de gebruiken van de Kerk. Halloween (afgeleid van All Hallows Eve) was oorspronkelijk oudjaardag. De Kelten lieten namelijk hun kalender beginnen op 1 november. 31 oktober (Keltisch oudjaar dus) was een vrije dag. De oogst was binnen, vee op stal en land geploegd en ingezaaid voor het volgende voorjaar. Tevens geloofden de Kelten dat die avond de geesten van de overledenen van het afgelopen jaar probeerden om bezit te nemen van de levenden om zo het nieuwe jaar binnen te dringen.

De katholieke Kerk verdrong dit Keltisch feest door van 1 november Alle Heiligendag te maken en van 2 november Alle Zielendag. Op deze twee dagen kon dus gebeden worden voor de ziele rust van de overleden dierbaren.

In Nederland, met name in het oude middeleeuwse bisdom Utrecht, ook wel Sticht of Sticht Utrecht genaamd, was de feestdag van de patroonheilige St. Maarten een soort van nationale feestdag. Omdat St. Maarten kort na Alle Heiligen en Alle Zielen valt, werd het feest dat op de Britse Eilanden (en later ook in de voormalige Britse kolonie in Amerika) op een dag gevierd werd in tweeën gedeeld. Het bidden voor de zielenrust van de overledenen bleef plaatsvinden op 1 en 2 november maar de rest verschoof naar 11 november.

St, Maarten was niet alleen een kerkelijk feest maar was ook een keerpunt in het jaar.

De oogst was binnen, het graan gedorst, hooi opgeslagen, fruit ingemaakt of gedroogd. Het vee was op stal gezet of gereed gemaakt voor de verkoop of de slacht. Het was dan ook tijd voor de grote jaarmarkten waarop de boeren hun overschotten uit de oogsten verkochten, vee verhandelde of lieten slachten. De boeren kregen hun geld en konden de belastingen, hun rekeningen bij leveranciers en ambachtslieden en de lonen van de knechten betalen. De knechten konden op hun buurt hun rekeningen betalen, gingen naar de barbier, kochten nieuwe (winter)kleding. Vandaar dat de jaarmarkten gepaard gingen met kermissen en ander volksvermaak en uit allerlei windsteken handelaren neerstreken die hun nijverheidsproducten aan de man wilden brengen. De kinderen gingen verkleed rond, zingend en dansend, om hier en daar een centje of traktatie los te peuteren. Je kon dus zeggen dat St. Maarten een grote betaaldag van lonen en schulden was. En dus een ideale gelegenheid voor handel en feest. Daarna ging het winterseizoen in.

Wanneer er in Nederland toch gekeken gaat worden naar mogelijkheid voor aanpassen van de nationale feestdagen, dan zou St. Maarten zeken meegenomen moeten worden. Het kan dan mooi een gat vullen tussen de zomer en de Kerstperiode.

Een mooie opstelling van nationale feestdagen zou kunnen zijn:

Nieuwjaardag (1 januari).

Chinees Nieuwjaar (wisselende dag in het vroege voorjaar; t.b.v. Chineese bevolkingsdeel).

Pasen (2 dagen in het voorjaar met wisselde datum).

Bevrijdingsdag (4 en 5 mei).

Pinksteren (2 dagen in het voorjaar met wisselende datum).

Koninginnedag / koningsdag 31-08 (terug naar de oorspronkelijke datum).

Vreugde der Wet (Simchat Torah; wisselende datum in het najaar, t.bv. Joodse bevolkingsdeel).

Sint Maarten (11 november).

Koninkrijksdag (13 december; verjaardag van de Nederlandse Staat tevens te benutten om nieuwe landgenoten te begroeten).

Kerstmis (25 en 26 december).

Suikerfeest (wisselende dag, schuift over de jaren heen door het jaar; t.b.v. Islamitische volksdeel).

In totaal zijn het 14 dagen, waarvan er 2 altijd een zondag zijn. Weliswaar meer dan de huidige. Maar beter verdeeld over het jaar en doet meer recht aan de Multi culturele samenleving. En we zijn af van de rare regeling rondom Bevrijdingsdag. Om dit te kunnen betalen wordt collectief en zonder voorbehoud de ATV / ADV afgeschaft. Deze regeling was ooit bedacht om in de periode van grote werkloosheid begin jaren 80 van de vorige eeuw meer mensen aan het werk te krijgen. Dit is nu niet meer nodig. De ATV regeling heeft zichzelf overbodig gemaakt. Iedereen, arbeider, kantoormedewerker, ambtenaar, gaat als basis weer 40 uur per week werken. Met als compensatie deze nieuwe Nationale Feestdagen.

Harry van der Voort – Hilversum – 20081112.

13 November 2008
By on 00:13
De Grote Oorlog.

De Grote Oorlog.

Het vandaag (11-11-2008) precies 90 jaar geleden dat door een algemene wapenstilstand een einde kwam aan de gevechten. Gevechten? Grote Oorlog? In Nederland staat De Grote Oorlog beter bekend als de 1e Wereldoorlog (W.O. I).

Deze oorlog begon met de moordaanslag op Frans Ferdinand de beoogde troonopvolger van de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie op 28 juni 1914. Eigenlijk was de oorlog al eerder begonnen. Deze moordaanslag was het excuus waar iedereen naar op zoek was.

Rond de eeuwwisseling werd een militair conflict steeds meer gezien als het meest geëigende middel om orde op zaken te stellen en de weg vrij te maken voor een nieuwe toekomst waarin alles anders alles beter zou zijn. Oorlog was voor de meeste mensen weliswaar een bekend verschijnsel maar ook een zelden gezien of mee gemaakt verschijnsel.

In onze huidige cultuur en belevingswereld heeft het beeldmateriaal (krant, tijdschriften, tv, film, foto, mobile telefoon met digitale camera een belangrijke plaats verworven. De oorlog kan live meegemaakt worden door dat soldaten aan het front filmpjes van hun optreden gemaakt met mobieltjes naar huis sturen. Rond 1900 was er geen tv, nauwelijks film, fotografie was de kinderschoenen net ontgroeid, om van telefonie nog maar te zwijgen en in kranten stonden nauwelijks foto’s. Dit laatste zou na het uitbreken van De Grote Oorlog rap veranderen. Vooral de weekbladen en de familiebladen zouden tussen 1914 en

1918 in

toenemende mate volkomen te staan met foto’s gemaakt van het front, de soldaten, het militair materieel, en ook de gruwelijkheden. Uit ten treuren en in detail. Maar zover was het nog niet. De schrijvende pers, de nationale dichters, literatoren speelden een belangrijke rol in het vastleggen van het geen aan het front en op de slagvelden zich zou afspelen. En deze schrijvers hadden een ander belang. De Nationale Trots, de Vaderlands Liefde, de Opofferingsgezindheid voor Koning en Vaderland moest bejubeld worden. De Nationale Grootsheid moest vastgelegd, onderstreept en bevestigd worden. Het meest bizarre voorbeeld hiervan is het heldengedicht “De Charge van de Lichte Brigade” (The Charge of the Light Brigade) dat Alfred Tennyson schreef naar aanleiding van een militaire actie van Engelse officier in de Krimoorlog (1854) die rommelig en onduidelijke orders gaven terwijl zij de situatie volkomen verkeerd in schatten en toch tegen beter weten in doorzetten. De lichte brigade werd door deze actie van de bevelvoerende officieren in de pan gehakt. Alfred Tennyson bejubeld deze actie in zijn gedicht als een glorieuze heldendaad verricht door fiere soldaten die de eer van (Engelse) Koning en Vaderland hoog hielden. De soldaten werden met militaire begraven en Tennyson werd tot baron verheven.

De Oorlog werd hierdoor meer en meer gezien als een geaccepteerde methode om een Grote Zuivering door te voeren waarbij de weg vrijgemaakt zou worden voor een Grootse en Glorieuze Toekomst voor Allen. Het schot in Sarajevo was letterlijk het startschot.

Maar de Grote Zuivering kwam niet. De oorlog liep al snel muurvast. Onwrikbare stellingen werden ingenomen en het slagveld werd een slachtveld van miljoenen soldaten. Een zinloze strijdvechtend met zinloze strategieën in een zinloze en uitzichtloze strijd.

Vooral het rancuneuze Frankrijk dreef zijn zin door en was mede verantwoordelijk, zo niet alleen verantwoordelijk, voor de achterlijk grote som geld dat geëist werd van Duitsland als schadevergoeding voor de geleden oorlogsschade. Aangemoedigd door de Franse Staat dreven boeren uit Noord – Frankrijk hun claim op tot in het bizarre. Boeren berekenden niet alleen de kip die gedood werd, maar ook de eieren die deze kip had kunnen leggen, de kuikens die uit deze eieren hadden gebroed kunnen worden, en de eieren die deze kuikens als ze kip waren geworden hadden kunnen leggen, enz.

Deze herstelbetalingen trokken een zware wissel op de Duitse economie na de W.O. I. Dat had op geen probleem hoeven te worden als Frankrijk zich wat toeschietelijker had opgesteld en de economie naar de W.O. I zou floreren. En vooral dat laatste wilde niet.

De roaring twenties waren niet zo roaring als lange tijd werd gedacht. Roaring was er wel maar voor een kleine elite. Met de Amerikaanse economie ging het na 1918 vrijwel gelijk mis. Direct na het beëindigen van de gevechten en het ingaan van de wapenstilstand cancelde de Amerikaanse overheid alle nog uitstaande orders voor militair materieel, ammunitie en uitrustingen. Te gelijke tijd werden onder invloed van de isolationistische politieke koers die de USA ging varen, alle militairen teruggehaald naar de USA en ontslagen uit dienst. 100.000den, zo niet meer dan een miljoen merendeel jonge mannen werden gedumpt in een economie die niet meer zat te wachten op extra arbeiders. Daarbij kwam nog dat in het midden van de jaren twintig de landbouwcrisis wild om zich heen sloeg. Lage opbrengsten, misoogsten en stofstormen teisterden het Amerikaanse platteland. En dat juist in een tijd dat de economie in Europa, met name in Duitsland, een flinke zet in de rug nodig had.

De economische onrust, fors aangewakkerd door de beurscrash van 1929, werd een nieuwe voedingsbodem voor denkers in militaire oplossingen.

In 1919 was de vrede gesloten. Dat dacht men. Althans een einde aan de oorlog, met een flinke verzuchting; “dat nooit weer”. Maar een Amerikaanse generaal die het vredesverdrag onder ogen had gekregen zei dat het slechts een wapenstilstand zou zijn voor hooguit 20 jaar. De man kreeg op een vreselijke manier gelijk.

Nadat het al meer dan een jaar onrustig was in Midden Europa door de annexatie door Duitsland van Oostenrijk en grote delen van Tsjechië, braken op 1 september 1939 de vijandelijkheden weer in volle omvang uit. En op 7 december 1941 waren ook de USA weer terug in de oorlog. 22  jaar later weliswaar, maar alle partijen stonden weer tegenoverelkaar op het slagveld.

En na 7 mei 1945? Eigenlijk was het niet veel beter dan na 11-11-1918. De wonden werden gelikt, de doden betreurd en wederom werd geroepen; “Dit nooit weer!”. Maar de oorlog was verre van over. Maar werd ook ver huis verder uitgevochten. De economie leefde op en het volk leefde weer in welvaart en voorspoed. Dit is juist, als je alleen maar naar (Noord-)West Europa en Noord Amerika kijkt. In de rest van de wereld brulde het beest van de oorlog nog hardop. Zuid Oost Azië, Korea, Vietnam, Cuba, Angola, Mozambique, Honduras, Nicaragua, Zuid-Afrika, Afganistan I, Namibië, Granada, Falkland eilanden, Libanon, Cambodja, Israel. En het is dat de Engelsen Winston Churchill aan het einde van W.O. II niet meer herkozen hadden, anders was hij na de Val van Berlijn direct opgerukt naar Moskou.

Het einde van de Grote Oorlog kon komen na de Val van de Muur. In de regio waar alles begon op die slechte dag in de zomer van 1914 broeide het onderhuids nog steeds. Na het weg vallen van de Sterke Man in Joegoslavië viel het land langzamerhand uiteen onder invloed van etnische spanningen en regionale eigen belangen. Een proces dat versnelde na het in een storten van de Socialistische Heilsstaten in Oost Europa. In de eerste helft vna de jaren 90 werd op de Balkan op bloedige wijze het slotstuk van de Grote Oorlog uitgevochten.

De jaren na 1945 had daar geen vrede gebracht, maar alle onvrede, ongerief en ongenoegen werd in een doofpot gesmoord. Een doofpot die via snelkookpan een hoge drukketel werd waarvan uiteindelijk het veiligheidsventiel afbrak ( de dood van Tito). De klap was wederom in heel Europa voelbaar. En daarna: De Rust. Servië, waar alles begon, loopt nog wat na te sputteren als het laatste deel van de Joegoslavische federatie zich afsplitst zelfstandig verder gaat. De overige Balkanstaten worden in middels een voor een binnengeloodst in de grote broederschap van Europese staten, de EU.

Maar ondertussen. In de USA is de Bush-dynastie aan de macht gekomen. En met hen het denken in glorieus heldendom van militairen en de zuiverde werking van oorlogen. Men is daar alvast aan de volgende serie oorlogen begonnen: De Olie-oorlogen. Onder de ludieke naam Desert Storm voerde Papa Bush de Eerste Golfoorlog, enkele jaren later gevolgd door Baby Bush in de herkansing. Harry van der Voort – Hilversum – 20081111.

12 November 2008
By on 00:27
Clubhuis De Robben als stortplaats van bouwafval.

Clubhuis De Robben als stortplaats van bouwafval.

Treffende typering van de opvatting van de Gemeente Hilversum hoe om te gaan met topsport.

Op 17 september 2008 verscheen in De Gooi- en Eemlander een artikel onder de titel “Clubhuis De Robben ‘stortplaats’. Boos op gemeente en Optisport.

Het artikel gaat over de zoveelste misser in de ‘verbouwing’ van het zwembad De Lieberg. Weer is de zwemsportvereniging De Robben de dupe. Dit maal komt de Gemeente Hilversum als eigenaar en opdrachtgever voor de verbouwing en Optisport als exploitant hun afspraken met De Robben niet na over het opleveren van het Clubhuis in het zwembad. Op moment dat de oplevering moest plaatsvinden waren de ruimten in het clubhuis nog steeds in gebruik als opslagplaats van overtollig bouwmateriaal en als werkplaats. Met de Gemeente en Optisport was er geen enkele mogelijkheid om afspraken te maken over een nieuwe opleverdatum en vergoeding voor tijdelijke huisvesting. Het hele gebeuren is typerend voor de houding van de Gemeente in zake de zwemsport in Hilversum.

Even een terugblik:

Ooit had Hilversum een zwembad dat voldeed aan de IOC-NSF eisen voor wedstrijdsport. Het stond aan de Kapelstraat. Midden jaren 70 voldeed het niet meer. Naast dat de installaties verouderd waren en de kleed- en douche voorzieningen hard aan vernieuwing toe waren, waren ook de publiekvoorzieningen ontoereikend. Zo was er geen sportkantine annex foyer en had het bad alleen een tribune aan de kopkant boven de startplaatsen.

Maar ondanks dat brachten de verenigingen H.Z.C. en De Robben (later met elkaar gefuseerd) grote zwemhelden, en zelfs een Olympisch kampioen voort. Nel van Vliet, wedstrijdzwemster en Olympisch goudwinnares; de waterpoloër Evert Kroon, wedstrijdzwemster Hansje van Bunschoten (jeugd sportheldin van mij, die ook nog bij mij in straat woonde), Jan Stender, trainer en coach van vele succesvolle Nederlandse wedstrijdzwemmers en –zwemsters.

Basis voor een goed en deugdelijk nieuw zwembad denk je dus.

Niets was minder waar.

Hilversum moest met het nieuwe zwembad, dat het bad aan de Kapelstraat moest gaan vervangen, op gestoten worden in de vaart der volkeren. Er moest een restaurant bij, en een sportzaal, en een beweegbare bodem in het bad zodat het ook beter als recreatiebad gebruikt kon gaan worden, en meer van dat soort megalomane ideeën werden in het nieuwbouwplan gepropt. Met als gevolg dat het onbetaalbaar werd. Terug naar de basis dan denk je, alleen een wedstrijdbad dus. Ja, denk je als “buitenstaander”, simpel dus. Maar nee, de politiek wilde een bad waarmee men Bussum met zijn sportfondsenbad naar de kroon kon steken. En zodra de politici een dergelijke greep op een plan krijgen verdwijnt de rede en daarmee het bad van wedstrijdafmetingen.

Het nieuwe bad kwam er: De Lieberg aan de Jan van der Heidenstraat.

De beweegbare bodem kwam er in en lang voor het merendeel van de tijd doodstil. Het merendeel van de eerste jaren van het bestaan van het nieuwe bad was het beweegbare bodem onbruikbaar door allerlei technische mankementen. Het restaurant en sportzaal was jaren lang een verliespost voor de gemeente die het bad zelf exploiteerde. Het nieuwe bad was uiteindelijk maar goed voor een ding: om grote hoeveelheden gemeenschapsgeld door weg te spoelen.

Om het exploitabel te krijgen werd het gesubsidieerde schoolzwemmen afgeschaft, de toegangsprijs fors verhoogd en de exploitatie overgedragen aan een commercieel bedrijf.

Langzaam kwam er leven in de brouwerij.

De vernieuwing.

Ook een nieuw zwembad wordt oud en daarmee rijp voor de flinke opknapbeurt. Je verwacht nu dat de gemeente nu de gelegenheid gebruikt om het zwembad de container in te schuiven er een nieuw neer te zetten. Zeker als het naast gelegen terrein aan een projectontwikkelaar wordt verkocht. Maar gelukkig had ook nu het gemeentebestuur weer een megalomaan plan klaar. Om de projectontwikkelaar van dienst te zijn werd besloten om de grond van de sporthal naast het zwembad ook te verkopen aan hem en een nieuwe sporthal te bouwen op het dak van het zwembad.

Geen nieuw zwembad dus, want het dak van het bestaande was nog om de nieuwe sporthal op te bouwen. Het bestaande zwembad werd opgeleukt en met veel poeha en bombarie werd de sporthal op het dak gebouwd. Oud nieuws, enkele jaren eerder was deze stunt al in Utrecht uitgehaald met de brede school Forumgebouw in Kanaleneiland.

De verdwijning.

Weinig is er over van Hilversum als zwemstad. Geen voedingsbodem meer voor nieuw zwemtalent. Want met een sporthal op het dak is een wedstrijdbad helemaal ver in de toekomst verdwenen. En als De Robben verstandig zijn laten zij zich ook verdwijnen (naar een gemeente die wel de moeite heeft genomen een wedstrijdbad neer te zettten).

Hilversum als zwemstad kan dan bijgezet worden in het Hilversums Museum van Gemiste Kansen (te vinden aan de Kerkbrink op nr. 6) waar gepocht wordt met de Grote Dudok.

Wie enigszins weet wat Dudok allemaal gebouwd heeft, weet ook dat zolang Dudok niet in de weg staat Dudok mag blijven. Want anders… de container staat al klaar. Ook voor Dudok.

Ga maar kijken naar werken van Dudok als: de openbare school aan het Zwaluwplein, het badhuis met woningen aan de Huijgensstraat, het slachthuis, het havenkantoor, de garage met benzinestation aan de Jan van der Heidenstraat, en recent nog het voormalige kantoorgebouw van de sociale dienst op het Paardenplein.

Laten wij eens kijken wat de gemeente Hilversum nog meer in de container gegooid heeft (of laten gooien) aan topsport in Hilversum: naast het Zwembad aan de Kapelstraat, vinden we er ook het betaaldvoetbal met HVV ’t Gooi /FC Hilversum als profclub (weggegooid door de KNVB in het midden van de jaren 50); de paardenrenbaan met totohal; de houten wielerbaan van de Adelaars; het internationale tennistoernooi op het Melkhuisje; het Heineken Open op de golfbaan bij Kievitsdal….

Je zou haast het Museum van Gemiste Kansen uitbreiden met een afdeling Weggegooide Topsporten. Harry van der Voort – Hilversum – 20081111.

11 November 2008
By on 00:23
Het Plein kreeg toch een nieuwe naam : Marktplein

Het Langgewenscht was afgelopen najaar het doelwit van een tamelijk ondoordachte aktie van de gemeente. In al haar wijsheid schreef de gemeente een prijsvraag uit voor een naam voor het marktterrein. Hierbij zag zij volkomen over het hoofd dat het gemeentebestuur enkele jaren geleden al een naam, een officiële naam had vastgesteld : Marktterrein Langgewenscht.

Om de teleurstelling onder het publiek te vermeiden, liet de gemeente desondanks de prijsvraag toch doorgaan. En de gemeente kondigde aan dat zij als resultaat van de prijsvraag toch een nieuwe naam voor het Langgewenscht zou gaan vast stellen.

De eisen nog even op een rij: de naam moest een verbondheid met Hilversum weergeven, recht doen aan de historie van Hilversum en in het bijzonder het plein zelf, en de funktie tot uitdrukking brengen. Je denkt dan: "Bedankt inzenders, we hebben een fout gemaakt, we hebben al een naam die voldoet. Maar nee. Een nieuwe naam zou en moest er dan toch maar van komen. En dan den je: "De nieuwe naam moet dan echt een gouden greep zijn. Zo iets als Marktplein Langgewenscht." Maar, nee!

Suffer kon men het niet bedenken. Kleurlozer kon het niet worden. Zelf een ambtenaar kort voor zijn pensioen kon nog met iets beters komen. Het werd, en is geworden:

Marktplein

Alleen maar Marktplein. En degene die hiermee kwam kreeg nog een prijs ook.

Harry van der Voort – Hilversum – 20080408

8 April 2008
By on 20:53
Het plein heeft al een naam: Langgewenst – Nieuwe naam niet nodig.

“Ik ben geboren 22 september 1864 te Hilversum, op het lieve kleine buiten aan den ’s-Gravelandschen weg, dat nu nog “Heuvelrust” heet, en dat mijn vader toebehoorde.”

Lodewijk van Deijssel.

Met deze zin opent Lodewijk van Deijssel zijn “Gedenkschriften”, uitgegeven in 1924.

Weinig in deze zin is historisch gezoen juist. Wat de reden was voor Lodewijk van Deijssel om dit zo op te schrijven is hier niet aan de orde. Wel de bewuste verdraaiing van de historische feiten 60 jaar na dato.

Het gemeentebestuur van Hilversum staat op punt hetzelfde te doen met de oproep voor een nieuwe naam voor het marktplein. In een bewuste opzet de historische feiten aan de kant schuiven om in een opwelling van enthousiasme (laten we daar maar op houden) het publiek op te roepen om een plein dat al een officiële naam heeft, te laten voorzien van een nieuwe naam. Met het aan de kant schuiven van de historische feiten ziet het gemeentebestuur niet meer dat de officiële naam van het marktplein, LANGGEWENST, diepgeworteld ligt in de historie van Hilversum en verwijst naam bijzondere personen. Juist deze redenen geeft het gemeentebestuur op om een nieuw naam op te baseren. Juist deze redenen zijn goede redenen om de huidige naam te behouden.

Langgewenscht was de naam van het woonhuis van de oude Hilversumse familie de Rijk. In het begin van de 19e eeuw werd hier Jacobus A. de Rijk, als zoon van de gerenomeerde kunstschilder James de Rijk, geboren. Jacobus was naast een verdienstelijke kunstschilder en schrijver, ook actief in het Katholiek Reveil, de beweging rond de emancipatie van het Katholiek volksdeel van Nederland in de 19e eeuw. Binnen deze beweging had Jacobus de Rijk kennisgemaakt met dr. Joseph A. Alberdink Thijm die door velen gezien werd en wordt als de grote voorman van dit Katholiek Reveil. Jacobus de Rijk en Alberdink Thijm zijn later bevriend geraakt. Nadat James de Rijk het huis Langgewenscht aan de Huizerstraat (een plein was er in die jaren nog niet) geërfd had, bood hij aan Alberdink Thijm ’s zomers een deel van zijn huis te huur aan, omdat de Gooise lucht de zwakke gezondheid van mevr. Alberdink Thijm goed zou doen. Amsterdam kon in die jaren ’s zomers bijzonder onaangenaam zijn om in te wonen. Bij het huis behoorde inmiddels een grote siertuin die doorliep tot aan de Schoolstraat. Door deze contacten zal Jacobus de Rijk tevens kennisgemaakt hebben met befaamde architect dr. P.J.H. Cuypers, die de zwager was van J.A. Alberdink Thijm en evens actief in het Katholiek Reveil was.

De naam Langgewenst verwijst dus naam een woonhuis, dat later tevens als buitenplaats gebruikt is. Verwijst ook naar een beroemde en befaamde Hilversummer J.A. de Rijk, die stamde uit een oude Hilversumse familie. Verwijst naar J.A. Alberdink Thijm die er gewoond heeft en naar wie het Alberdink Thijm College genoemd is, en indirect naar Pierre Cuypers die architect van de R.K. St. Vituskerk aan de Emmastraat en naar wie het Dr. P.J.H. Cuypersplein vernoemd is.

De naam Langgewenscht gaat haar tweede fase van haar geschiedenis in als in 1897-1898 de gemeente Hilversum het huis en tuin aankoopt. Het huis wordt afgebroken en de tuin wordt omgezet is een voor het publiek toegankelijk stadspark. Het werd aangelegd in een van de oudste en dichtsbebouwde gedeelte van Hilversum met als doel om de mensen uit de kleine bedompte huisjes veelal zonder tuintjes de kans te geven in de frisse buitenlucht buiten te lopen, hun zorgen even te vergeten door de gedachten te verzetten en hunziel te laven aan de natuur. Enkele andere huizen en stukken grond werden aangekocht zodat uiteindelijk het park vrijwel alle grond tussen de Huizerstraat, Visstraat en Schoolstraat omvatte. Alleen langs de Groest van de Stationsstraat tot de hoek van de Naarderstaat en Schoolstraat bleven nog huizen staan. In 1930 kwam een einde aan het stadspark.

De naam Langgewenscht verwijst dus ook naar een thans verdwenen stadspark, als een van der eerste buurtgebonden groenvoorzieningen aangelegd.

De derde fase van de geschiedenis van de naam gaat in als het gemeentebestuur het terrein van het stadspark aan de marktkooplieden aanbied om er een marktplein van te maken. De markt werd tot in het derde kwart van de 19e eeuw gehouden op de Kerkbrink. Om verschillende redenen was dit niet langer meer mogelijk. De markt werd onder luid protest van de marktkooplieden verplaatst naar de Groest. Was de markt in Hilversum vanouds een pleinmarkt, werd zij nu een straatmarkt. De marktkooplieden drongen regelmatig bij het gemeentebestuur aan op een nieuw plein om de markt op te mogen houden. Deze wens werd in het begin van de jaren dertig van de 20e eeuw ingewilligd door het Langgewenscht hiervoor te beschikking te stellen. Een lang gewenste verzoek van de marktkooplieden werd uiteindelijk werkelijkheid. En hoe toepasselijk de naam.

De naam Langgewenscht werd de naam van het marktplein. De naam Langgewenscht verwijst tevens en onbedoeld naar de lang gekoesterde wens van de marktkooplieden om weer een markt op een plein te hebben.

De vierde fase van de geschiedenis van de naam Langgewenscht. Allereerst de naam zelf. Deze werd bij een van de spellingmoderniseringen van het Nederlands gewijzigd in Langgewenst.

Doordat de bebouwing langs de oneven zijde van de Huizerstraat verdwenen was, werd voor de duidelijkheid van de ligging de huizen aan de even zijde het adres gewijzigd in Langgewenst. De Huizerstraat werd al zo doende ingekort tot de huidige lengte. Hetzelfde geschiedde aan de andere zijde met de Schoolstraat. Hier was de bebouwing aan de even zijde verdwenen en aan de oneven zijde stonden nog een paar gebouwen die bij de gemeente in gebruik waren. Het gedeelte van de Schoolstraat tussen de Naarderstraat en de Honingstraat werd gewijzigd in Langgewenst. Het resterende deel heet tot op de dag van vandaag nog steeds Schoolstraat. Als een van de onderdelen van de sanering van de kern van Hilversum werd in de jaren 70 van de 20e eeuw de huizen aan de Visstraat afgebroken. Aan de ene zijde van de Visstraat verrees langs de Koninginneweg de nog bestaande seniorenwoningen, de andere zijde van de Visstraat maakte al jaren deel uit van het marktplein Langgewenst. De naam Visstraat werd opgeheven en de weg die er overigens nog steeds ligt is thans een naamloos onderdeel van het marktplein Langgewenst.

De naam Langgewenst verwijst naar de saneringen en herinrichtingen van Hilversum die in de verschillende jaren zich hebben afgespeeld rond het marktplein. Langgewenst is tevens de naam geworden van (delen van) drie andere straten die oorspronkelijk een eigen naam hadden.

Historie, beroemde personen, gebeurtenissen, veranderingen en een toevalligheid in de vorm van een woordspeling vormen de basis waarop de naam Langgewenst gebaseerd is en diep verankerd ligt in het verleden van Hilversum. Dezelfde redenen waarop de vraag naar een nieuwe naam gebaseerd is. Een overbodige actie als je het mij vraagt; een overbodige actie als men zelf eerst zich in de historie van Hilversum verdiept had.

Handhaven die naam!

Langgewenst is en blijft de naam voor het marktplein.

En de nieuwe huizen: keuze genoeg uit de oude namen. Herstel deze in ere!

Schoolstraat voor het gedeelte tussen de Naarderstraat en de Honingstraat; Huizerstraat voor het gedeelte tussen de Groest en de nog bestaande Huizerstraat; Visstraat als verbinding tussen de Huizerstraat en Schoolstraat.

En voor de huizen die op het paardenplein (geen officiële naam, maar een naam uit de volksmond voor het achterplein waarop ooit het voormalige gebouw van de sociale dienst, later Jelinekkliniek stond) kan James A. de Rijk geëerd worden, om naast J.A. Alberdink Thijm en P.J.H. Cuypers ook een plek te krijgen waar zijn naam aan verbonden is: een James A. de Rijkplein.

Terug naar het begin. Voor degene die zich afvragen waarom de keuze van het openingscitaat. Lodelijk van Deijssel heette in werkelijkheid Karel Joan Lodewijk Alberdink Thijm en was de zoon van Joseph A. Alberdink Thijm. Hij werd weliswaar op 22 september 1864 geboren, maar zijn geboortehuis stond aan de Herengracht, nabij de Hartenstraat, in Amsterdam.

Harry van der Voort, 01092007.

2 September 2007
By on 23:08
Lord of the Rings

Lord of the Rings.

Afgelopen kerstperiode werd Lord of the Rings weer eens over ons uitgestort. Dit maal in de vorm van de film-trilogie van Peter Jackson. Helemaal niet erg; goed boek, goed verfilmd.

Naar mate je meer keren dit verhaal leest – of zoals nu in dit geval – nadat je de film gezien hebt, en nog eens een stuk nabladert in het boek, blijft er meer hangen.  Langzamerhand wordt het toch meer duidelijk van wat de schrijver eigenlijk tegen je probeert te zeggen. Niet dat ik  zo zeer altijd opzoek moet naar de diepere lagen van een verhaal, want dan kleed je het verhaal uit tot op het bod. Wat je overhoudt is dan slechts het geraamte, en dan is ook de magie weg. Nee, ik hou er meer van als de tip van een sluier opwaait, er snel even onder te (proberen) kijken. Net als een mooie vrouw in rok of jurk. Soms waait deze even een stukje op – krijg je wat te zien? Zie je wat? Niet alles wordt ontbloot. Soms krijg je niets te zien. Maar daar gaat het niet om. De magie van het net niet blijft hangen, een verlangen naar nog een keer, wellicht?!.

Soms werkt het niet. Zoals nu bij Lord of the Rings. Er blijft net iets te veel hangen, net is te vaak gezien, en – zoals gebruikelijk rond de kerstdag – net iets te weinig aan je hoofd. Lord of the Rings gaat helemaal niet over ‘De Eeuwige Strijd van Het Goed tegen Het Kwaad’. Ja wel, je hebt gelijk als je zegt dat het in het verhaal zit. Het Goed, Frodo, Gandalf, Elrond, en de rest, tegen Sauron en de zijnen. Dat is het verhaal, de gebeurtenissen, maar niet de kapstok. De kapstok, het geraamte, wordt duidelijk als Frodo en Sam uit Mount Doom komen nadat de One Ring teruggevallen is in het vuur van de berg.

Het verhaal gaat over opgroeien, volwassen worden, en je verantwoordelijkheden nemen voor je eigen en je eigen leven. Dat Frodo en Sam op een bepaald moment overkomen als twee schooljongens, de ene knap, geconfronteerd met een taak waar die niet helemaal vrijwillig mee opgescheept zit, en niet helemaal weet hoe die het aan moet pakken, en de ander, minder knap, onzeker van zich zelf (over zichzelf meer) maar op de juiste momenten wel de moed, inzicht en doorzettingsvermogen toont, je onwillekeurig doet denken aan Harry Potter en zijn schoolmaatje Ron Weasly, komt omdat J.K. Rowling, ongetwijfeld Lord of the Rings ook gelezen heeft. Beter goed gejat dan slecht zelf bedacht, zullen we maar denken.

Opgroeien, verantwoordelijkheden nemen doen ze allemaal: Frodo, Sam, Gandalf, Aragorn, Boromir, en in zekere zin ook Arwen – je keuze maken over de invulling van je eigen leven en onvoorwaardelijk de consequenties hiervan dragen.

Nu we toch bezig zijn het geraamte bloot te leggen en de magie voor altijd te laten verdwijnen. Voor degene die nog steeds opzoek zijn waar Tolkien Middle Earth nu op de landkaart geplakt heeft: De Gouw ligt in Wales, en Mordor is Londen.

Tolkien heeft Lord of the Rings gegoten in de vorm van de traditie van de grote verhalen en legenden van de Kelten. Koningen, Koninginnen, elven, dwergen, rampen, onmogelijke liefdes, grote inspanningen en ontelbare tegenslagen om een doel (de queeste) te bereiken.

Waarom op die manier. Een oude literaire traditie nieuw leven in blazen om een weddenschap te winnen. Ik denk het niet. Tolkien geeft de Welshmen een schop onder hun achterste. De Welshmen (inwoners van Wales) moeten niet zo liggen piepen als hun eigen cultuur en traditie bedreigt wordt vanuit Londen; als over al een ‘door de staat gepropageerd sausje van We, Brittish’ overheen gegoten wordt. Je cultuur, tradities, historie, hou je zelf in stand, hou je zelf in ere. Je moet er zelf inspanningen voor leveren.

Harry van der Voort, 20070110.

10 January 2007
By on 22:02