In de Lonsvaerder.
In de Lonsvaerder.
In de 17e en 18e eeuw was de Berensteinseweg niet veel meer dan een zandpad langs de Gooise Vaart gebruikt als jaagpad. Er weren geen huizen langs deze weg gebouwd zoals we nu kennen. In ’s-Graveland was er, halverwege het Zuidereind en de Corverslaan het inrijhek van het landhuis Berenstein. In Hilversum stonden aan het kop van de Gooise Vaart het Dorpsveerhuis met boten loods en een klein huisje. Op de grens van Hilversum en ’s-Graveland, die toen nog tussen de ’s-Gravelandse Polder en het Trompenveld lang, stond in het Trompenveld aan de vaart, dus toen nog in Hilversum, een klein huisje. Een klein beetje van de weg af, verscholen achter vier reusachtige bomen. Dat huisje heette toen nog “Het Heidens Huijsje”. Het was eigendom van het dorp Hilversum en werd verhuurd.
In het huisje woonden in die jaren twee broers. Twee ongehuwde broers. Zij waren grof gebouwd en hadden brede schouders en dikke gespierde armen met grove handen. Van de ene broer ging zijn diep gegroefde gezicht grotendeels schuil achter een volle zwarte baard en zijn dikke bos woest haar had in jaren geen kam of kapper gezien. De andere broer was bekant een kop groter; hij had geen baard en was bijna kaal. Beide broers liepen rond in jassen gemaakt van berenhuiden of van bevervellen en hadden laarzen van leer waar het koehaar nog op zat.
De broers waren altijd in de weer op hun erf met allerlei zaken en bezigheden. Hout hakken, graan dorsen, riet snijden en opbossen, wilgentenen snijden en mandenmaken, en vele andere werkzaamheden die niet zo herkenbaar waren. Stropens op konijnen, vissen waar het niet mocht, vogels vangen waar ze net zo min toestemming voor hadden. En mensen fluisterden onderling meer, ook duistere, zaken. En als de broers niet op hun erf waren, dan liep hun hond er. Een grote, bijna net zo groot als een klein kalf, zwart-grijze hond met een dichte woeste krullende langharige vacht. Geen hond die je alleen los wilde tegenkomen, dag of nacht. Pluisje hadden de broers hem spottend genoemd.
De broers verdienden hun officieel hun geld met twee zaken. Het Huis In d’ Lonsvaerder staat tegenover de Stenen Brug. Het wegdek over de brug is strek gekromd en lastig te nemen voor koetsen en karren, zeker in de winter of als het geregend had. Zwaar beladen karren of grote koetsen konden vaak de brug niet nemen. De broers stonden dan bij hun hek toe te kijken hoe de koetsier wanhopig de paarden aanspoorden om toch over de brug te komen. Maar, helaas. De koetsier te einde raad wenkte de broers om te helpen. De broers liepen rustig, bijna nonchalant naar de koetsier en hielden hun hand op. De koetsier gaf ze met de nodige tegenzin een paar stuivers. De broers zetten vervolgens hun brede schouders tegen te kar of koets en duwde deze bijn zonder hulp van de paarden over de brug.
De andere taak was het innen van het tolgeld op de Berensteinseweg. Iedereen die over de Berensteinseweg tussen Hilversum en ’s-Graveland reisde (niet de veerman en zijn knecht) moest tol betalen aan de broers. Sommige Hilversummers dachten slim te zijn en probeerden via de Corverslaan naar de ’s-Gravelandseweg te komen om zo de tol te omzeilen. Ze vergaten echter dat Pluisje, de hond van de broers, hen van verre al had aan horen komen. Pluisje zette het op een blaffen en als Pluisje lang bleef blaffen wisten de broers weer hoe laat het was. Menig tolontduiker probeerden nog hard door te lopen, maar de broers konden ondanks hun grote postuur verschrikkelijk hard lopen. De tolontduiker werd in de kraag gegrepen en hard handig naar de tol teruggesleept. En wie te paard was kon eveneens rekenen op een harde aanpak van de broers. Zij werden eenvoudig te stoppen gedwongen door dat de bebaarde broer ze met zijn geweer beschoot. De lange rechte Coverslaan bood nauwelijks beschutting.
Een mooi verhaal. Maar helaas is er weinig van waar. Het Huis In d’Lonsvaerder bestaat echt en staat ook aan de Berensteinseweg nabij de Stenen Brug. Maar de broers hebben nooit bestaan, net zo min als het huis In d’Lonsvaerder een tolhuis is geweest.
Er bestaat geen enkele aanwijzing dat het Huis In d’Lonsvaerder een tolhuis of huis van een belastinggaarder is geweest. Een tol is er nooit geweest. Het was ook niet zinvol: in het Gooi werd in de 17e en 18e eeuw geen tol geheven en de grens met het Sticht lag ver weg. ’s-Graveland, Oud-Loosdrecht en Nieuw-Loosdrecht behoorden toen nog tot het Gewest Holland. Belastinggaarders woonden er niet. Cornelis Schouten inde de accijns op bier en brandewijn en had daarvoor een huis in de Oude Torenstraat. Jan Année inde de verponding (voorloper van de onroerend zaakbelasting); hij woonde ook in de Oude Torenstraat. Année werd opgevolgd door Jan Perk, de vader van Albertus, die eerst op de hoek van de Oude Torenstraat en de Kerkbrink / Torenlaan woonde en later op de hoek van de Kerkbrink en de ’s-Gravelandseweg naast de Grote Kerk. Het havengeld werd geïnd door de knollenmeter. In de 18e eeuw was dit Gerrit Haan. Nadat hij in 1772 ontslagen was als dorpsschoolmeester wegens ernstig plichtsverzuim, werd hij aangesteld als knollenmeter. Ook Gerrit Haan woonde in de Oude Torenstraat.
In het vroege najaar van 2008 presenteerden Bert Bos en Ineke de Ronde hun onderzoek naar het Huis “In d’ Lonsvaerder” op een lezing voor de Hilversumse Historische Kring Albertus Perk. Zij hadden wel kunnen achterhalen dat het Huis In d’Lonsvaerder rond 1850 vergroot werd tot een boerderij, maar voordien maar een klein huisje was. Het huis werd de hele 18e eeuw Heidens Huijsje genoemd. Pas in de loop van de 19e eeuw werd het huis pas In d’Lonsvaerder genoemd. Bos en De Ronde denken dat het huis met de verbouwing van rond 1850 de gevelsteen met het opschrift In d’Lonsvaerder kreeg. En daarom vanaf dan ook die naam heeft. Echter er zijn aanwijzingen dat aan het begin van de 19e eeuw veranderingen zijn op het Landgoed Gooilust, waar het huis deel vanuit maakt, het aannemelijk maken dat het toen ook al eens verbouwd is geweest en mogelijk toen de opvallende gevelstenen gekregen heeft. (Zie ook blog: Een scheldpartij in steen).
Bos en De Ronde konden vanaf het midden van de 19e eeuw de bewoners achterhalen. Echter van de bewoners in de 17e en 18e eeuw zijn geen sporen teruggevonden. Het was voor hen een raadsel waarom dan een dergelijk klein huisje gebouwd was zover afgelegen aan de vaart. Zonder enige historische aanwijzing namen zij aan dat het mogelijk een tolhuis geweest kon zijn. Echter in het archief in Hilversum zijn wel aanwijzigen gevonden waarom daar door het dorpsbestuur van Hilversum een huisje bebouwd werd en wat de mogelijke functie geweest was.
Door de stichting van de ’s-Gravelandse Polder werden de verhoudingen in de gebruiksrechten tussen de stad Naarden, de dorpen in ’t Gooi en de Staten van Holland verstoord. Vanaf 1634 werden verschillende regelingen getroffen, maar pas in 1664 kwam een definitieve tot stand. Voor de geschiedenis van In d’Lonsvaerder is een onderdeel van deze regeling van belang. Hilversum werd gecompenseerd doordat een smalle strook heideveld achter ’s-Graveland tussen de ’s-Gravelandseweg en de Berensteinseweg aan Hilversum overgedragen werd om te ontginnen. Hilversum deed dit niet zelf, maar verkocht de strook heideveld in 1669 aan Cornelis Tromp. Op 25 januari 1669 kwamen Willem Tijmensz Vlaanderen en Lambert Willem Klaasz, als buurmeesters van Hilversum, en Cornelis Tromp de voorwaarden voor de verkoop overeen.
Cornelis Tromp zou aan Hilversum f. 7000,= betalen en een schenking doen aan de kerk van Hilversum ‘zoo groot als het hem belieft’. Langs de grens van het land zal een scheidijk of wal aan gelegd worden. Hilversum zou voor de aanleg en de kosten daarvan zorg dragen, terwijl Tromp daarna het onderhoud voor zijn rekening zal nemen. Tevens zal Tromp vier vaten goed bier aan de inwoners van het dorp Hilversum leveren. Als laatste werd bepaald dat aan de zuidzijde van de strook heideveld over de volle breedte een stuk van het heideveld vrij zou blijven liggen om te dienen als opslagterrein.
Op 12 juni 1669 werd Cornelis Tromp door koop eigenaar van deze strook heideveld dat sedert dien naar hem vernoemd werd: Trompenveld. De enige wijziging die nog in het koopcontract werd opgenomen was dat een klein stukje veld van 130 roeden niet mee verkocht werd. Op dit stukje veld was al een huis gebouwd door Jan Cornelisz Groot. Dit stukje veld lag aan de noordzijde tegen de Cortenhoefseweg (thans ’s-Gravelandseweg geheten). Een jaar later werd dit laatste stukje veld voor 32 gulden verkocht aan Jan Cornelisz Groot. Het huis was ingericht als herberg en heette achtereen volgens Grootjan, Het Derde Heidens Huis, De Laatste Stuijver, De Plaats Rojaal en Roomen. In 1792 werd het afgebroken en op dezelfde plaats werd het buitenhuis Jagtlust gebouwd dat in 1795 gereed voor bewoning was.
Aan de zuidzijde van het Trompenveld lag dus een strook grond dat vrijgehouden moest worden als opslagterrein. Dit was ook wel nodig. Er moest een grote hoeveelheid zand opgeslagen kunnen worden als begonnen werd met het ontginnen van het Trompenveld. Ondanks dat het veer regelmatig naar het oosten opschoof naar mate het graven van de Gooise Vaart in de richting van het dorp opschoot, bleef de oude kade direct achter ’s-Graveland nog steeds in gebruik. Regelmatig waren er klachten over schade aan de walkant door het laden en lossen van goederen en over goederen die op de weg opgeslagen stonden.
Het is niet onlogisch te veronderstellen dat op de hoek van het opslagterrein een huisje gebouwd werd voor de zandbaas die belast werd met het toezicht op het afgraven en ontginnen van het Trompenveld en de aanleg van de nieuwe scheiwal rond het Trompenveld. Tevens zal deze zandbaas dan ook belast kunnen zijn met het toezicht en onderhoud van de loswal en weg langs de Gooise Vaart vlak bij de Stenen Brug.
Het huisje werd gebouwd in opdracht van het dorpsbestuur van Hilversum die tevens eigenaar bleef. Pas in 1774 werd het huisje door het dorpsbestuur verkocht.
Harry van der Voort, 20090726
